Zoals bekend stelt de Stichting Aelserlei ten doel om de dorpse cultuur en tradities in Elsloo te handhaven en uit te voeren. In het kader hiervan is de Stichting voornemens om een oeroude traditie nieuw leven in te gaan blazen namelijk het plaatsen van een Meiboom op het grasveld  bij de Dikke Stein. Het plaatsen zal plaatsvinden op de eerste zondag van de maand Mei.

Afbeelding 072    Afbeelding 077    DSC 5971

We kunnen ons goed voorstellen dat men zich het waarom afvragen van het herinvoeren wetende  dat er sinds mensenheugenis er in Elsloo een dergelijke traditie nooit uitgevoerd is en zeker  niet op deze plaats. Het gestelde klopt inderdaad. Toch heeft de Mei traditie wel degelijk in Elsloo bestaan. Dit kunnen we afleiden van de vermelding uit de archieven door Meester van Mulken dat in 1699 de schutten toestemming krijgen om jaarlijks uit de bossen twee “Meyboomkes” kappen. Een werd geplaatst bij de koning van de schutterij de ander bij de Heer van Elsloo. Er werden dus wel degelijk in Elsloo meibomen geplaatst, waarvan we aannemen dat die bij de Heer de boom de uitvoering kende die in andere plaatsen (die geen lokale Heer hadden !) voor de kerk had. De wel nog bestaande gebruiken als de Palmpaastakken en de mei plaatsen als de hoogste top van een gebouw bereikt is, zijn ook onderdelen van de Meiviering. Het belang van het plaatsen van een Meiboom is sterk symbolisch. Met de Meiboom willen we aangeven dat Elsloo, ondanks de verstedelijking, in de kern nog steeds een dorp is en dat ook wil uitdrukken door het  uitvoeren van de dorpstradities die een Limburgs dorp eigen zijn. Ook zonder gekende tradities kan ieder Limburgs dorp ervan uitgaan dat ooit in een of andere vorm mei vieringen er hebben plaatsgevonden (en dus heringevoerd kunnen worden). De Mei gebruiken behoren tot de oudste Germaanse tradities in heel Europa.

  

De achtergronden van de Meiboomviering

Het meifeest, met als hoogtepunt het planten van de meiboom, is al erg oud. Het was een van de grootste feesten, die in geheel West-Europa werden gevierd. De meiboom komt voor bij alle Germaanse en Westslavische volkeren en is verder bekend in Frankrijk, Italië en Spanje. Het is dus niet typisch Limburgs. Overal was het een vruchtbaarheidsrite; de meibomen stelden de vegetatiegeest in boomgestalte voor. Het is het feest van het begin van de zomer, het feest van de groeikracht, het opengaan van de natuur. Bij de Germanen was een mythe bekend over twee reuzen die met elkaar vochten. De een was een vrolijke kerel, die de mensen blij maakte, de ander was een vervelende kerel, die de mensen deed rillen en beven. De godin van de liefde kwam tussenbeide en probeerde ze met elkaar te verzoenen, zodat ze elkaar enigszins konden verdragen. Ze probeerde hen duidelijk te maken, dat ze broers waren, van wie de één niet zonder de ander kon. Maar de twee bleven vechten met elkaar. Om beurten wonnen ze. Als de goede won, werd het zomer en juichten de mensen. Dan dansten en zongen ze en werden er meibomen geplant die hun vruchtbaar makende kracht moesten overbrengen op akker, vee en mens. Deze feesten hielden stand tot in onze eeuw.

In de middeleeuwen, waarin veel Germaanse feesten gekerstend werden, probeerde de kerk ook het meifeest te kerstenen. De boom zou het symbool zijn van Maria, door wie alle goeds en lieflijkheid in de wereld was gekomen. Vandaar ook dat de meimaand de Maria-maand is geworden. Ter ere van haar plantten de priesters geestelijke meibomen in de kerken, versierden de altaren met bloemen en bestrooiden de vloeren met groen. In wezen was het natuurlijk om de oude heidense gebruiken rond de meiboom te breken. Daar kwam nog bij dat het hoe langer hoe meer het gebruik werd dat er de gehele nacht liederlijk 'gezopen' werd. De oorspronkelijke (Germaanse) meifeesten hielden vooralsnog stand. Elk dorp of elke stad had wel zijn meigilde, een vereniging van jongelieden die de feestelijkheden rond het planten van de meiboom voorbereidden en organiseerden. Er werd een hoofdman gekozen, de zg. meigraaf. 's Avonds voor de eerste mei werden er meivuren ontstoken en in de nacht trok het meigilde uit, de jongens in het zondags pak, de meisjes in 't wit en met kransen op het hoofd en bloemen op de borst. Al het jong volk volgde de stoet. Dat noemde men 'meynachten'. De boom die men gebruikte was tot in de zeventiende eeuw een es, bij de Germanen een heilige boom. Daaraan kun je zien, dat het feest nog tot in die tijd z'n Germaanse oorsprong had behouden. Hoewel de bossen toen al goed beschermd werden, mochten de boeren op meiavond een es uit het bos halen. De boom werd in optocht vervoerd met een of meer versierde wagens, de zg. meiwagens. Op sommige plaatsen ging een bijzonder muziekcorps voor de meiwagen uit. De muzikanten waren jongens die op meifluitjes bliezen of op zelfgemaakte waldhoorns van wilgen- of elzenbast.